Peter Giesen over basisinkomen: kans of valkuil

De Vrijzinnige Partij organiseert regelmatig voor iedereen toegankelijke Dialoog-bijeenkomsten. Over actuele onderwerpen gaan we het gesprek aan door verdieping aan te brengen in deze tijd van populisme. De Vrijzinnige Partij hield op 14 november een Dialoog-avond met Peter Giesen als gastspreker.

Zijn nalezenswaardige bijdrage tijdens deze boeiende avond tref je hieronder aan.

” Norbert Klein heeft me gevraagd om iets te zeggen over kunstmatige intelligentie en het basisinkomen, toegespitst op het werk van de Israëlische historicus Yuval Noah Harari.

Ik ben helemaal geen specialist op het gebied van het basisinkomen, en al helemaal niet op het gebied van kunstmatige intelligentie, maar Norbert heeft me gevraagd omdat ik Harari heb geïnterviewd voor de Volkskrant.

Ik zal eerst kort iets over mezelf vertellen, daarna over Harari en zijn ideeën en tot slot zal ik daar zelf een paar kanttekeningen bij plaatsen.

Mijn naam is Peter Giesen, ik ben 59 jaar oud, historicus en sinds 1991 redacteur van de Volkskrant. Ik heb allerlei functies gehad, maar de leukste was correspondent in Parijs, van 2013 tot 2018. Sinds mei ben ik weer terug op de redactie in Amsterdam, waar ik commentator ben en algemeen verslaggever. Ik houd me bezig met allerlei onderwerpen, maar schrijf vooral achtergrondartikelen over sociale en politieke thema’s. Daarom werd ik door de chef van de boekenbijlage ook gevraagd om Harari te interviewen.

Ik vond het heel interessant om een gesprek te hebben met een man die is uitgegroeid tot een fenomeen. Je hoeft maar een betere boekwinkel in te lopen of je ziet zijn werk in stapels liggen. Sapiens, Homo Deus en 21 lessen voor de 21ste eeuw. Voor een auteur is het jaloersmakend. Ik heb zelf onlangs een boek geschreven over Frankrijk, gebaseerd op mijn ervaringen als correspondent, en dat loopt heel aardig, maar van de miljoenenverkoop van iemand als Harari kan ik alleen maar dromen.

In augustus ben ik naar Tel Aviv gegaan om hem te interviewen, en dan merk je meteen dat hij een fenomeen is. Zijn man, een theaterproducent, is inmiddels zijn manager geworden en hij wordt omringd door een hofhouding van assistentes.

Harari zelf is een kleine, tengere man met een heel ascetische uitstraling. Hij is veganist en begint zijn dag met twee uur mediteren. Ik weet niet of u wel eens geprobeerd heeft om te mediteren, maar ik vind vijf minuten al heel moeilijk. Wie afstand neemt van de maalstroom van dagelijkse gebeurtenissen, ziet de wereld daarna des te scherper, gelooft Harari. Zonder meditattie zou hij Sapiens, Homo Deus en 21 Lessen voor de 21ste Eeuw nooit hebben kunnen schrijven.

Harari is vriendelijk, maar ook heel intens. ‘Hij spreekt in de gedecideerde volzinnen die de ware professor verraden’, schreef ik in het interview.

Een jaar of acht geleden was hij een onbekende hoogleraar middeleeuwse geschiedenis die boeken schreef over militaire acties in het riddertijdperk, boeken die alleen voor specialisten interessant waren. Zijn leven veranderde toen hij een college gaf over wereldgeschiedenis aan de universiteit van Jeruzalem en daarmee de basis legde voor Sapiens. In 2011 kwam Sapiens in Israël uit, in 2014 verscheen de Engelse vertaling en werd hij een wereldster.

Het is niet zo moeilijk in te zien waarom hij zo populair is. We leven in een tijdperk van grote onzekerheid en snelle technologische ontwikkelingen. Een chaotische toekomst staart ons in het gezicht. Veel verstandige mensen zeggen: ik weet ook niet hoe het verder zal gaan. Daarom is er grote behoefte aan een ziener die niet terugdeinst voor een antwoord op de vraag hoe de wereld er in 2050 of 2100 uitziet.

Zijn kernidee is dat het liberale humanisme – dat de mens ziet als een individu met een vrije wil – zal worden ontmaskerd als een fictie door technologische ontwikkelingen.

Die technologische ontwikkelingen zijn de biotechnologie en de kunstmatige intelligentie. Door biotechnologie zal de mens verbeterd en zelfs onsterfelijk kunnen worden, schrijft hij, maar dat thema laten we vanavond maar even buiten beschouwing.

We concentreren ons op kunstmatige intelligentie. Harari heeft veel geschreven over de macht van algoritmen. In de toekomst zullen algoritmen ons beter kennen dan wij ons zelf kennen, gelooft hij.

Hij geeft daar wel een geestig voorbeeld van. Stel dat je, ergens in de toekomst, naar een film kijkt. Camera’s zullen je emoties detecteren aan de hand van oogbewegingen en de bewegingen van de gezichtsspieren. Biometrische sensoren kunnen je bloeddruk en je hartslag meten. Daardoor weet het algoritme precies welke scènes je spannend, waar je aandacht verslapte. Het algoritme ziet dat een verkrachtingsscène een nauwelijks waarneembaar vleugje seksuele opwinding veroorzaakt. Of dat je dom zit te lachen omdat je niet wilt toegeven dat je een grap niet snapte. Het algoritme maakte korte metten met snobisme en sociale wenselijkheid. Omdat het jouw gegevens combineert met de data van miljoenen films en andere kijkers zal het veel beter een film voor je kunnen uitzoeken dan je zelf ooit zou kunnen.

De algoritmen zullen ons leven kunnen verbeteren, zei Harari. ‘Hoe vaak heb je niet gekeken naar een film die je achteraf slecht vond? Hoeveel mensen betreuren niet hun studiekeuze? Of de keuze van hun partner? Je trouwt met iemand en na vijf jaar zeg je: het was een verschrikkelijke fout.’

Volgens Harari betekent dit allemaal dat de vrije wil – het centrale leerstuk van het liberale humanisme – een fictie wordt. Je kunt je maar beter overgeven aan het algoritme. Dat neemt immers betere beslissingen dan jij zelf.

Ik niet erg onder de indruk ben van de algoritmes die ik ken. Ik weet niet of u Discover Weekly van Spotify kent. Op basis van de muziek die je draait, maakt Discover Weekly elke week een afspeellijst, ‘speciaal voor jou’. Elke keer als ik de lijst bekijk, denk ik: ik wist niet dat ik zo’n slechte smaak had. Als ik een keertje naar Bob Dylan luister, word ik gebombardeerd met 20 middelmatige folkzangers. En ik denk: ik weet ook wel dat ik vaak naar oude hits luister, maar dat betekent nog niet dat ik nooit iets nieuws wil ontdekken.

Volgens Harari is deze tegenwerping onzin. We staan nog maar aan het begin, zegt hij. De algoritmes van Spotify of Netflix zijn misschien nog niet zo geweldig, maar dat gaat veranderen.

En er zijn al verbluffende dingen mogelijk met kunstmatige intelligentie. Hij geeft het voorbeeld van een schaakwedstrijd tussen twee computers, Stockfish 8 en AlphaZero. Stockfish was wereldkampioen schaken in 2016, en was geprogrammeerd met alle schaakkennis uit de geschiedenis. AlphaZero was niet geprogrammeerd met schaakstrategieën, maar leerde zichzelf schaken met de nieuwste machine learning-principes.

AlphaZero won de wedstrijd tegen Stockfish. ‘Kun je raden hoelang AlphaZero erover deed om vanuit het niets te leren schaken, zich op de match tegen Stockfish voor te bereiden en zijn geniale instincten te ontwikkelen? Vier uur. Dit is geen typefout.’

Volgens Harari zal kunstmatige intelligentie niet alleen een fictie maken van de vrije wil, er gebeurt ook nog iets anders.

Kunstmatige intelligentie dreigt mensen massaal overbodig te maken. Om een voorbeeld te geven: chauffeurs van vrachtwagens en taxi’s worden overbodig door zelfrijdende auto’s.

De gevolgen daarvan zullen dramatisch zijn. De 20ste eeuw was de eeuw van de massa’s, waarin gewone mensen onmisbaar waren als arbeider en soldaat. In de toekomst worden deze mensen vervangen door zelflerende machines. Zelfs als kanonnenvoer is de gewone man niet meer nodig. De soldaat wordt verdrongen door drones en andere automatische wapens.

Dat heeft ook grote politieke gevolgen, aldus Harari. In de 20ste eeuw probeerden de massa’s hun bijdrage aan de economie te vertalen in politieke macht. Zie het socialisme, maar ook het fascisme en communisme.

In de 21ste eeuw zijn ze bang hun economisch nut te verliezen en klampen ze zich vast aan het laatste restje politieke macht dat ze nog hebben. Dat is voor Harari het populisme: mensen zien hun bestaan steeds onzekerder worden, eerst door globalisering en flexibilisering, daarna door kunstmatige intelligentie. Maar een ding kunnen ze nog wel: stemmen.

Harari: ‘Een heleboel kiezers voor de Brexit of Trump hebben, misschien terecht, het gevoel: de toekomst heeft ons niet nodig.’

Wat doe je met een samenleving waarin een groot deel van de mensen geen economisch nut meer heeft. Daar komt het basisinkomen op de proppen.

In 21 Lessen voor de 21ste eeuw gaat daar Harari kort op het basisinkomen in. Hij is er  vrij sceptisch over.

Hij heeft twee problemen met het universeel basisinkomen. Wat is ‘universeel’ en wat is ‘basis’.

Allereerst ‘wat is universeel?’ Hij wijst erop dat er experimenten met het basisinkomen zijn gedaan, onder meer in Finland, Ontario en aantal Nederlandse gemeenten. Maar als kunstmatige intelligentie arbeid overbodig maakt, zullen de zwaarste klappen niet in Finland of Ontario vallen, maar in Bangla Desh, Indonesië of al die andere Derde Wereldlanden die net een beetje welvaart hebben gekregen door industrialisatie.

In de Verenigde Staten zouden werkloze mijnwerkers of taxichauffeurs misschien een basisinkomen kunnen krijgen, gefinancierd door de enorme winsten van Google, Amazon en andere tech-giganten te belasten. ‘Maar zullen Amerikaanse kiezers het ook goedvinden als die belastinggelden worden weggegeven aan werklozen op de plekken die president Trump aanduidt als shithole countries?  

Een retorische vraag, uiteraard. Het is een legitiem en belangwekkend punt van Harari, maar het moet ons er niet van weerhouden om na te denken over een basisinkomen in Nederland of andere westerse landen, lijkt me.

Het tweede punt is interessanter: wat is ‘basis’? In veel experimenten krijgen mensen 500 tot 600 euro. Dat lijkt me niet zo zinvol, omdat mensen dan nog altijd een aanvullende uitkering nodig hebben en je vast blijft zitten aan een bureaucratisch circus waarin beoordeeld moet worden of mensen die uitkeringen wel nodig hebben.

Maar Harari stelt een vraag die iets dieper gaat. Stel dat je alle werklozen een basisinkomen geeft dat de basale levensbehoeften dekt. Dan nog bestaat het gevaar van een enorme tweedeling in de samenleving, tussen een groep afgeschreven mensen die een basisinkomen krijgt en een groep veel rijkere mensen die wel profiteert van de economische mogelijkheden van nieuwe technologieën. Hoe voorkom je dan dat je een boos proletariaat creëert dat sociale mobiliteit eist?

In Harari’s universum gaat het nog iets verder. De rijken kunnen zichzelf door biotechnologische ingrepen verbeteren. Daardoor ontstaat een klasse van opgevoerde mensen die niet meer door de rest is in te halen. Het is een prikkelend en verontrustend idee, maar ik geloof dat we ons hier vanavond niet mee hoeven bezig te houden. In de bestaande wereld is het basisinkomen al ingewikkeld genoeg.

Mensen hebben niet genoeg aan een basisinkomen. Ze hebben ook zingeving nodig, aldus Harari. Dat is wel mogelijk. Hij wijst op de ultra-orthodoxe Joden in Israël. De helft van de ultra-orthodoxe mannen werkt niet. Ze wijden zich geheel aan het bestuderen van heilige geschriften en het uitvoeren van religieuze rituelen. Ze worden zwaar gesubsidieerd door de staat Israël, in een soort basisinkomen avant la lettre.

Harari: ‘Hoewel ze arm en werkloos zijn, geven deze ultra-orthodoxe Joodse mannen in onderzoek na onderzoek blijk van een hogere mate van voldoening in hun leven dan de mensen in alle andere lagen van de Israëlische bevolking. Dat komt door hun sterke gemeenschapszin en ook door de diepe betekenis die ze hechten aan het bestuderen van religieuze geschriften en rituelen.’

Het zou een oplossing kunnen zijn: een economisch vangnet, gecombineerd met sterke gemeenschappen en zinvolle bezigheden. Dan zou het nog wel eens een zegening kunnen zijn om onze banen kwijt te raken aan algoritmen, aldus Harari.

Ik vat even Harari’s visie samen. In de toekomst dreigen mensen massaal overbodig te worden door kunstmatige intelligentie. Een universeel basisinkomen zou een oplossing kunnen zijn, mits dat gecombineerd wordt met een vorm van zingeving.

Ik wil hier, als startpunt voor een discussie, een paar kanttekeningen bij maken.

Ten eerste: hoe serieus moeten we Harari’s toekomstvisie nemen? Zijn boeken worden gekenmerkt door een ambivalentie die mij een beetje begon te irriteren. Enerzijds is heel beslist en gedetailleerd in het schetsen van een toekomst. Anderzijds maakt hij voortdurend een voorbehoud. Hij zegt ook: de toekomst is onkenbaar. Wie had voorspeld dat het Christendom de dominante godsdienst van het Romeinse Rijk zou worden, werd evenzeer voor gek verklaard als degene die nu zegt dat Hare Krishna in 2050 de Amerikaanse staatsgodsdienst is.

Ik heb hem dat ook gevraagd, en hij zei: ‘Wat ik schrijf is geen voorspelling, in de zin van: zo ziet de wereld er in 2050 uit. Het is een mogelijkheid, gezien de technologische ontwikkelingen die zich nu aandienen. Zal het echt gebeuren of niet? Dat hangt af van de keuzen die we nu maken, nu en in de komende twintig jaar. Wat er uiteindelijk gebeurt, weet ik ook niet. Als ik zou denken dat mij toekomstbeeld onvermijdelijk is, zou ik net zo goed mijn mond kunnen houden. Dan zou het gewoon gebeuren.’

Dat is natuurlijk een goed antwoord, maar in zijn werk zit weinig twijfel. Hij doet iets anders. Schrijft eerst heel gedecideerd hoe de toekomst eruit zal zien en vervolgens maakt hij hier en daar een voorbehoud om zich in te dekken.

Hoe dan ook, we moeten de toekomst van Harari zien als een mogelijkheid.

En ik ben toch een beetje sceptisch over de gedachte dat we straks allemaal overbodig zullen zijn door kunstmatige intelligentie.

Ik herinner me dat ik een jaar of tien was, het moet rond 1970 zijn geweest. Met de klas gingen we op excursie naar het werk van de moeder van een vriendje van me. Dat was destijds al heel bijzonder, een moeder die werk had.

We bekeken de computer, die ongeveer even groot was als deze kamer. Rondom de computer zaten vrouwen ponskaarten te tikken. Weet iemand nog wat een ponskaart is? Toen was het de toekomst.

We spraken toen al over de computer die veel mensen werkloos zou maken. De moeder van mijn vriendje zei: sommige arbeid wordt geautomatiseerd, maar de computer creëert ook weer nieuwe arbeid.

Zo is het ook gegaan. We zijn nu vijftig jaar verder. Niet alleen is de werkloosheid heel laag, de arbeidsmarkt heeft ook heel veel vrouwen opgevangen. Destijds was het heel bijzonder dat de moeder van mijn vriendje werkte, nu is het bijzonder als je kinderen naar huis komen met een vriendje of vriendinnetje wiens of wier moeder niet werkt.

Harari zegt dan: ja, maar wat we tot nu hebben gezien is kinderspel. De computers van de toekomst zullen oneindig veel krachtiger zijn, kunstmatige intelligentie zal zich zo ver ontwikkelen dat zij ook historici en journalisten overbodig zullen maken.

Het klinkt heel plausibel, maar we weten het niet.

Tenslotte wil ik nog een opmerking maken over het basisinkomen. Ik behoor tot een generatie die het basisinkomen de facto heeft meegemaakt.

In het midden van de jaren tachtig, toen ik afstudeerde, was de werkloosheid heel hoog. Veel vrienden studeerden af en incasseerden meteen een uitkering. Controle was er niet of nauwelijks. Het enige wat je hoefde te doen was solliciteren op banen waarvoor je kansloos was en de afwijzingsbrieven aan de sociale dienst sturen. De bijstand was destijds een basisinkomen.

Ik vond dat destijds getuigen van een waardeloze mentaliteit, en ik maakte me daar ook zorgen over. Wat moest er terecht komen van een generatie die zo gemakkelijk op kosten van de gemeenschap leefde?

Een van mijn vrienden zei toen: ‘Maak je toch niet druk, er is te weinig werk en daarom is het asociaal om de baan in te pikken van iemand die graag wil werken.’ Zo kun je het ook bekijken.

Maar toen de economie eind jaren tachtig weer aantrok, verdween die cultuur van beroepswerklozen als sneeuw voor de zon. Iedereen ging aan het werk. Veel mensen lieten zich omscholen tot ict-specialist en gingen verdienen dan ze met hun incourante alfa- of gammastudie ooit hadden kunnen krijgen.

Mijn idee over het basisinkomen is daarom niet zo negatief. De meeste mensen willen graag werken. Waarom zou je zo moeten controleren en koeioneren als nu vaak gebeurt?

Maar laatst sprak ik de socioloog Godfried Engbersen, die in de jaren tachtig onderzoek deed naar armoede.

Hij zei: het werkte heel goed voor een bovenlaag. De halve Amsterdamse kunstwereld draaide op de bijstand. Al die mensen deden heel leuke en creatieve dingen. Wat dat betreft kun je inderdaad zeggen: een basisinkomen is zo gek nog niet.

Maar er was ook nog een andere groep, vooral die van allochtonen, Turken en Marokkanen die hun baan kwijt raakten, en niet alleen in de bijstand terecht kwamen, maar ook in een maatschappelijk isolement terecht. Voor deze groep kwam de bijstand als basisinkomen neer op verwaarlozing. Deze mensen werden aan hun lot overgelaten.

In 1998 schreef Paul Scheffer zijn essay Het multiculturele drama, waarin hij het gebrek aan integratie van minderheden hekelde. Volgens Engbersen heeft dit multiculturele drama zijn wortels in de bijstandscultuur van de jaren tachtig. Toen is een hele groep het contact met de samenleving kwijt geraakt.

Een soortgelijk argument zie je ook bij Harari. Het basisinkomen werkt vooral bij groepen die een levensvervulling buiten de arbeidsmarkt weten te vinden. De kunstenaars bij Engbersen, de ultra-orthodoxe Joden bij Harari.

In het nadenken over een basisinkomen lijkt me dat een belangrijke vraag: wat doe je met kwetsbare groepen die toch al op grotere afstand van de mainstream samenleving staan? De kans is groot dat zij zich niet helemaal niet ontplooien, maar zich juist afgedankt voelen, apathisch worden en wellicht vluchten in lethargie, verslaving of ander negatief gedrag, iets wat je bijvoorbeeld ook wel ziet bij de Aboriginals in Australië of de Indianen in de Verenigde Staten. “

Facebooktwitterby feather